|
|
Wilma van der Maten |
|
Verhalen |
Jakarta is een stad van uitersten, die vaak vergeleken wordt met een Durian. Je bent helemaal verzot op deze heerlijke, maar oh zo kwalijk geurende vrucht of je walgt ervan. In deze miljoenenstad waar je in een vijfsterrenhotel in de ‘Gouden Driehoek’ voor een glas wijn het dagsalaris van je ‘pembantu’, huishoudhulp, betaalt. Waar bedelaars op straat verlekkerd naar de jaguars kijken. Ooit begon deze hectische stad rond de nu vervallen haven Sunda Kelapa waar je nog enkel resten uit de glorierijke Hollandse periode aantreft. Maar waar uit de oude koloniale gebouwen nu onkruid groeit. Jakartanen leven in het heden. Gisteren is alweer voorbij. De studenten, die tijdens de roerige meidagen van ’98 hun leven gaven om dictator Soeharto weg te krijgen, liggen als vergeten helden op de begraafplaats in de stad. Toch kan de geschiedenis de Jakartanen ook een trauma bezorgen. Zoals de mislukte staatsgreep uit ’65 en de recente bomexplosies op westerse doelen. Maar Jakarta is ook de stad van de liefde. Waar je bijzondere mensen ontmoet. Even de metropool uit en je treft aan zee werkelijk de mooiste droomplekjes aan. Wilma van der Maten (Heerde,1964) studeerde journalistiek en antropologie. Ze vestigde zich vlak voor de presidentsverkiezingen in 1999 in Jakarta. Ze woonde meer dan zeven jaar in Indonesië. Ze werkte daar onder meer voor de NOS, het radioprogramma De Ochtenden van de VARA en de EO, Dagblad Trouw en Vrij Nederland. Dit is het zevende deel in de reeks van NOS-correspondenten over hun stad. |
|
|
Ben Knapen |
|
|
Dit boek gaat over mensen. En over kleinigheden. Mensen en hun alledaagse besognes in Jakarta vormen kleine inkijkjes in een grote werkelijkheid van een elf miljoen inwoners tellende chaos genaamd Jakarta. En stuk voor stuk ook inkijkjes in een natie van bijna een kwart miljard mensen. Ben Knapen (Kaatsheuvel, 1951) schreef de laatste twee jaar vanuit Indonesië. Tevoren was hij onder meer buitenlands correspondent in Duitsland en Amerika, hoofdredacteur van NRC Handelsblad en lid van de raad van bestuur van PCM Uitgevers. |
|
|
‘De leeuw van Bali’ |
|
Gedichten |
De ‘Leeuw van Bali’, Tan Lioe Ie (1958), de dichter van de prachtige bundel Nacht van de Lampionnen, is geboren en getogen in Denpasar op het eiland Bali en wellicht een van de eerste Chinees-Indonesische dichters die door middel van zijn poëzie uitdrukking geeft aan zijn etnische achtergrond en identiteit. De Chinese mythologie en rituelen nemen in zijn gedichten dan ook een belangrijke plaats in. Hij voert de lezer mee door een zichtbare en onzichtbare wereld: gevleugelde draken, de godenwereld, maar ook de natuur, de zee, de liefde en het menselijk bestaan. Kortom, het zijn bronnen van inspiratie voor de Balinese dichter. En de zee blijft maar razen Schrijfster Cynthia Mc Leod, die Tan Lioe Ie meemaakte op de Winternachtentournees door Suriname en Zuid-Afrika is eenduidig in haar voorwoord: ‘Wie de dichter Tan Lioe zijn gedichten heeft zien en horen voordragen, die weet het: De dichter is het gedicht! Tan Lioe Ie bezig zien en horen is een sensatie. Al je zintuigen staan op scherp, want je ziet, hoort, proeft, ruikt en vooral begrijpt waar het over gaat, ook al versta je geen woord omdat je zijn taal niet kent. |
|
Herman
Keppy |
|
|
|
Het decor - Missouri, een prachtige bosrijke staat
met een aangenaam klimaat die de geschiedenis ademt
van het Wilde Westen. |
|
Madelon
Djajadiningrat |
|
|
|
Madelon Djajadiningrat heeft dankzij dagboeken, brieven
en archiefmateriaal een roman kunnen schrijven over
het leven van een vorst, die gedoemd is om 'tussen twee
werelden' te leven. Als een Javaanse vorstenzoon vertrekt
de hoofdpersoon in 1913 naar Nederland om aan de Leidse
universiteit Oosterse Letteren te studeren. De Eerste
Wereldoorlog breekt uit en tijdens de mobilisatie wordt
hij opgeroepen om Nederland te helpen verdedigen. De schrijfster is historisch-antropologe en getrouwd met een kleinzoon van deze vorst. Door haar contact met familieleden en tijdgenoten van de vorst en haar verblijf in het paleis kreeg zij toegang tot dit unieke materiaal. Zo kon zij in de huid van deze Javaanse vorst kruipen en zijn verhaal vertellen, dat ons verbindt met het leven in Nederland en Nederlands-Indië in de eerste helft van de vorige eeuw. 'Waarschijnlijk zullen maar weinigen zich realiseren
hoe zeldzaam een publicatie als Vorst tussen twee
werelden is.' - HELLA S. HAASSE |
|
Hoesein
W. Djajadiningrat |
|
|
|
Dit kookboek is geen gewoon kookboek. Het is een
verhaal over de rol van voedsel en koken in het leven
van de auteur, zowel vroeger in Indonesië als nu
in Nederland. De recepten zijn gelardeerd met vertellingen
en komen uit de Solose hofkeuken en uit vele andere
streken op Java en Sumatra. De tekeningen zijn van de hand van de schrijver. Hoesein W. Djajadiningrat (1928) is geboren in Djakarta,
toen nog Batavia geheten. Hij is klinisch psycholoog/psychotherapeut. |
|
Roman over Madelon Székely-Lulofs en de stervende moeder van de hoofdpersoon die net als Madelon Lulofs is opgegroeid in Nederlands- Indië |
|
|
|
Een onverbiddelijke Nederlandse bestseller heet Rubber, geschreven door de Nederlands-Indische schrijfster Madelon Székely-Lulofs. Het geruchtmakende boek over de planters in de Indische archipel verscheen in de jaren dertig en leidde tot vragen in de Tweede Kamer. In zijn nieuwe roman beschrijft Kester Freriks het verborgen leven van Madelon Székely-Lulofs. Het gaat over haar liefdes, het tropenbestaan, haar huwelijk en kinderen. De roman begint op het ogenblik dat de moeder van de hoofdpersoon stervende is. Zij lijdt aan dementie. Net als Madelon Lulofs is zij opgegroeid in Indië. Kester Freriks (Jakarta, 1954) is de bekroonde auteur van verhalenbundels en romans. Hij ontving in 1982 de Van der Hoogt-prijs voor zijn roman
Hölderlins toren. |
|
Een ooggetuigenverslag over het laatste jaar van de Nederlandse aanwezigheid in
Nieuw-Guinea |
|
|
|
De Balenkraai is een ooggetuigenverslag over het laatste jaar van de Nederlandse aanwezigheid in Nieuw-Guinea. De auteur maakte als dienstplichtig militair tegen wil en dank deel uit van de troepen die in 1962 daarheen werden uitgezonden en leverde met dit boek een bijdrage aan de geschiedschrijving van het einde van ons koloniale verleden. |
|
Verhalen vol bravour, cynisme, gčne en ontheemding in de rimboe van Nieuw-Guinea |
|
|
|
Op
31 december 1962 gaat op Nieuw-Guinea de Nederlandse vlag voorgoed naar
beneden. Het betekent dat in de voormalige Nederlandse kolonie alle
Nederlanders naar huis moeten. Voor
velen het einde van een onvergetelijk avontuur. Onder hen is Joop van den
Berg, die er vijf jaar woonde en nu in een reeks korte verhalen terugkijkt
op zijn Indische jeugd en zijn verblijf in Nieuw-Guinea. Verhalen
vol bravour, cynisme, gčne en ontheemdheid, maar ook vervuld van een soort
heimwee naar de tijd van toen, naar opwindende tournees in de rimboe, naar
dat leven op het scherp van de snede. In
1991 debuteerde hij, ook bij Conserve met de bundel verhalen Een
mors huis – verhalen over Nieuw-Guinea, waarover Maarten ’t
Hart opmerkte: ‘Heel aardige, ontroerende verhalen. Honderd en
achttien pagina’s maar, jammer dat het zo dun is…’ Joop van den Berg werd in 1930 op Java geboren en schreef al meer dan tien boeken over het Indische verleden. Door zijn vele losse artikelen, kritieken en lezingen is hij nog steeds zeer actief in de Indisch-Nederlandse letterkunde. |
|
|
Eric
Abbas |
|
|
‘Het kind is vader van de man,’
beaamt de schrijver van deze ontroerende autobiografische roman, in de zomer
van 2001 onder de titel A Letter to
the Indies in Engeland verschenen en ook in Nederland goed ontvangen.
Want als hij na jaren de verzameling brieven doorleest bewaard gebleven in
hun gehavende flets oranje map, komt zijn vader in Indië tot leven,
keuvelend, strooiend met raadgevingen en berispingen, maar steeds liefdevol
betrokken vanuit de verte. Stemmen uit het verleden klinken op uit half
vergane luchtpostvelletjes en verloren gewaande herinneringen, stemmen ook
van zijn pleegouders en zo vele bekenden en mentoren die hem
grootbrengen en vormen in een opwindend en verrassend naoorlogs Holland –
de wereld waar het kind die man wordt en zijn vader na zes lange jaren in de
armen sluit. De lezer deelt de ervaringen van alledag, sommige tragisch,
andere hilarisch, in een onrustige tijd van economische malaise, ook in het
zojuist onafhankelijk geworden Indonesië.
Eric Abbas werd in 1939 op Java geboren als jongste zoon van een Nederlandse
onderwijscontractant. De oorlog bracht hij door in Japanse interneringskampen op Sumatra, waarna hij in Gooise pleeggezinnen opgroeide. |
|
|
Fred Lanzing |
![]() Historische novelle |
In Atjeh heerst een overwinningsroes. Sinds enkele jaren neemt het Nederlands Indisch Leger het initiatief en opereert het offensief en beweeglijk. Er waait een nieuwe wind. Er is een nieuw beleid: niet afwachten, de vijand opzoeken, rusteloos achtervolgen tot diep in het binnenland. Er is een nieuw instrument: de kleine, zelfstandig opererende marechaussee-brigades die de rebellen bestrijden met hun eigen wapens en op eigen terrein. In Kota Radja, staf- en garnizoensstad, stroomt de champagne. Er is een nieuwe leiding: in 1897 bevinden zich vier uitzonderlijke mannen tegelijk in Atjeh. Van Heutsz, opportunist, hedonist, echte troepen-officier, die precies weet wat hij wil en geen last heeft van ethiek of levensbeschouwing. Snouck Hurgronje, zijn sardonische adviseur, spion, geleerde en intrigant. Colijn, zijn adjudant, zeer gereformeerd, ambitieus en te velde meedogenloos. Van Daalen, zijn stafchef, een harde indische jongen, vechtmachine en proto-fascist. Zij worden – in wisselend perspectief – in scherpe portretten geschetst. De ‘tien bloedige jaren’ waarin het verzet zal worden vernietigd, zijn aangebroken. De militaire successen zijn groot. Maar de morele verwildering, gevolg van de woeste guerilla-oorlog, sluipt als een jakhals van hoog tot laag de gelederen binnen. In een bordeel vindt een misdrijf plaats dat de gemoederen bij het lage kader en bij de bevolking verontrust. De vier mannen zijn er, elk op zijn eigen wijze, bij betrokken. Het vrolijke lichtekooitje Siti speelt haars ondanks een rol bij de oplossing van het probleem. Een verhaal vol nijd, moord, twist, list en kwaad-aardigheid. Fred Lanzing werd in 1933 geboren in Nederlands-Indië. Hij is antropoloog met een grote belangstelling voor de koloniale geschiedenis. Hij publiceert hierover incidenteel, zoals in Maatstaf en in Hollands Maandblad. Zijn verhalenbundel Vannacht gaan wij op pad verscheen in 1996. |
|
Hein
Matthijs |
|
|
Prijs |
In Het verboden huwelijk wordt getracht aan de hand
van brieven en dagboekaantekeningen uit de periode 1846-1880 een beeld te
geven Met de autobiografische bundel verhalen Rennen voor je leven debuteerde Hein Matthijs (1932) in 1994 bij Uitgeverij Conserve. In 1995 volgde de bundel Ik ben net als een waringin en in 1997 de verhalen Habis perkara. Hein Matthijs heeft gedurende lange tijd voor zijn werk in vele tropische en subtropische landen gewerkt en doet nu nog van tijd tot tijd adviserend werk. |
|
Bali – Eiland der Demonen
|
|
|
Prijs |
‘Mijn Bali-roman Eiland der Demonen uit 1941 is geďnspireerd op de figuur van Ni Pollok. Toen ik in 1935 vrij lang op Bali was, heb ik haar leren kennen als de beeldschone vriendin van Adrien Jean le Mayeur de Merprčs – een adellijke Belgische schilder – die aan de zuidkust van Bali woonde, bij Sanur, waar later het fameuze Bali Beach Hotel verrezen is. Daar in een bescheiden bamboehuis, woonde Le Mayeu rmet haar en nog drie andere meisjes als God in Frankrijk. Pollok was niet alleen een mooi meisje, ze was ook heel beschaafd., heel stil en bescheiden. Ze zat met ons aan tafel met een natuurlijke vrijmoedigheid, die een Javaanse niet zo gauw opgebracht zou hebbem, op Bali ligt de man-vrouw verhouding anders.’ Citaat uit een gesprek van Tony van Verre met de veelzijdige schrijver Johan Fabricius (1899-1981) over de roman die speelt op het goddelijke eiland Bali. Fabricius is de schepper van een rijk oeuvre aan jeugdboeken en romans die vooral spelen in Italië en Nederlands Indië en Indonesië. Karti (Ni Pollok) en Gustavsson (Le Mayeur) staan model voor twee belangrijke personen in het boek, dat oorspronkelijk verscheen in 1941 bij de Unie Bibliotheek in Batavia. Vandaar ook dat op het omslag een krijttekening van Le Mayeur van Pollok is afgebeeld, op wie ook Soekarno een welgevallig oog liet vallen, siert. Dit is de zesde druk van het boek, dat wordt gelardeerd met talloze sfeerfoto’s van Bali uit de jaren dertig van Fabricius’s vrouw Ruth, ingeleid door zoon Jelle Fabricius en is voorzien van een nawoord door kunsthistorica Cathinka Huizing, die samen met haar man Jop Ubbens een biografie schreef over Le Mayeur. |
|
|
Van Bali naar Bawean |
|
|
Vanuit Bali, waar hij sinds 1986 woont en leeft,
verkent de nu 61-jarige schrijver Duco van Weerlee de Indonesische archipel.
In vorm en inhoud weerspiegelt deze bundel – zijn vijfde boek en zijn
eerste bij Conserve – de diversiteit van het eilandenrijk waaraan Van
Weerlee zijn hart heeft verpand. Hoofdmoot is het gedetailleerde verslag van een bezoek
aan Bawean, een klein eiland in de Javazee, waar 60.000 mensen leven in
gezapig welbehagen. Een wak in de tijd met zonnepanelen en weergaloze
sterrenluchten als van een schip in volle zee. Voorgerecht is het relaas van een klein meisje
gedurende de oorlog en van haar delicate vriendschap met een Japanse
officier. Als nagerecht wordt een beeld van Bali geschetst, zoals
alleen een intieme buitenstaander dat kan ervaren. Een sprookjesland vol
barre heksen en brave reuzen. |