|
|
Barbara M. Veenman |
|
Historische roman |
Al meer dan honderd jaar zucht het noordelijke deel van Egypte onder de heerschappij van de Hyksos, de ‘heersers van de vreemde landen’. Vanuit het zuiden tracht de laatste farao, Sequenenre, met de moed der wanhoop de laatste resten van zijn ooit zo trotse koninkrijk bijeen te houden. Dan, op een dag, ontvangt hij een brief van de Hyksos-koning met het verwijt dat de nijlpaarden in Sequenenre’s vijver wel erg luidruchtig zijn, en hem ’s nachts regelmatig uit zijn slaap houden. Zal Sequenenre de moed weten te vinden op te staan tegen de brutale indringers en het evenwicht in de Twee Landen weten te herstellen? Barbara M. Veenman (Rotterdam, 1962) is theologe en docent, en zong eerder mee in de spraakmakende Nederlandse première van Philip Glass’ gelijknamige opera over farao Echnaton. Eerder verschenen van haar hand historische romans over de farao’s Echnaton en diens illustere zoon Toetanchamon (Vergeten Farao) en de vrouwelijke farao Hatsjepsoet. Persreacties op de farao-romans van Barbara M.Veenman: |
|
|
Jacqueline Zirkzee |
|
Historische roman |
De jonge Eva raakt verstrikt in het web van de fanatieke ‘heksenbisschop’ van Bamberg. Wanneer zij een brief vindt die geschreven is door één van zijn slachtoffers komt haar leven in gevaar. Het reisgezelschap waarmee Eva het bisdom ontvlucht, neemt een geheime missie op zich. Hun avontuurlijke zoektocht naar verlossing en vrijheid voert de reisgenoten dwars door oorlogvoerend Duitsland naar de rebelse Republiek aan de Noordzee. Kunnen zij hun opdracht uitvoeren? Wat zal de toekomst bieden voor de overlevenden van Het Heksenhuis? Want ook de vrijheid kent zijn prijs… In het bisdom Bamberg werden verdachten van hekserij vastgehouden in een speciaal voor dat doel gebouwde gevangenis, Het Heksenhuis. Een van de gevangenen schreef kort voordat hij ter dood werd gebracht op de brandstapel een brief aan zijn dochter. Dit document uit 1628 vormde de inspiratiebron voor Het Heksenhuis, waarin Jacqueline Zirkzee op oorspronkelijke en overtuigende wijze een beeld schetst van de onvoorstelbare gebeurtenissen uit deze tijd. De auteur is historica en journaliste. Jacqueline Zirkzee (Leiden, 1960) schreef eerder de epische roman Mykene over het oude Griekenland en Het Boek van Tristan en Isolde, een liefdesverhaal uit de vroege middeleeuwen. De avonturenroman Het Heksenhuis vormt een weerspiegeling van haar historische kennis en talentvol schrijverschap. Ze werkt nu aan een jubileumboek over 25 jaar uitgeverij Conserve. |
|
|
Ruud van Akkeren |
|
Historische roman |
Dit verhaal duurt 13 dagen in het Maya-Hoogland van Guatemala, 1546. Voor de dominicaan, broeder Sebastián, 2 weken als alle andere. Voor de Maya's zeer zeker niet. Het zijn de laatste dagen van hun kalender. Een tijd van rusteloze spanning. Zal Heer Bergen Valleien hen een nieuwe cyclus verlenen? Nog niet zo lang geleden waren de verhoudingen helder. Het gunstig stemmen van de goden was het werk van kalendervoorspellers en jaguarpriesters. Zij leidden de rituele dansen. Nu zijn er nieuwe machthebbers. En hun geestelijken moeten niets hebben van die duivelse praktijken. Ruud van Akkeren is antropoloog. Hij promoveerde op het Maya-drama De Dans van de Trom aan de Universiteit Leiden. In Nederland geeft hij cursussen over de Indiaanse culturel van Mesoamerika in het HOVO-programma van de VU en Erasmus. In Guatemala doet hij onderzoek en ontwikkelt onderwijs voor Maya's over hun eigen geschiedenis.Van zijn hand verschenen verschillende boeken. Dit is zijn eerste roman. De Dans van de Trom wordt nog steeds opgevoerd in het dorp Rabinal. In 2005 werd het door UNESCO tot Immaterieel Erfgoed van de Mensheid uitgeroepen. |
|
Barbara M. Veenman & Jacqueline Zirkzee |
|
|
|
Vanaf het moment dat ze genoeg moed hadden verzameld om zij aan zij de glijbaan in de speeltuin te bedwingen waren ze onafscheidelijk: Iris & Valentine. Twee vriendinnen die ondanks hun verschillen in de loop der jaren een steeds hechtere band krijgen. En al slaat Iris na het conservatorium haar vleugels uit naar swinging Londen en vestigt Valentine zich met man en kind in het degelijke Delft, geen oceaan kan ze scheiden. Dankzij het internet overbruggen Iris & Valentine de afstand tussen Château Bayswater Road en een gammel grachtenpand aan de Oude Delft. Ze schrijven elkaar over literaire ambities, valse sopranen, drankmisbruik voor gevorderden, exotisch damesondergoed, sluimerende lekkages en de meest wijdverspreide gevaarlijke diersoort op deze planeet: foute mannen! |
|
Mayli Wen |
|
|
|
Peking, 1852. Een onzeker meisje uit de verarmde
burgerij treedt toe als concubine tot de keizerlijke
harem in de Verboden Stad. Na lange tijd te zijn genegeerd
baart zij de enige overlevende zoon van de Chinese keizer.
Ze is dan voorbestemd om een halve eeuw als keizerin-moeder
Tzu Hsi over het uitgestrekte Chinese keizerrijk te
regeren. In een tijd van hofintriges, samenzweringen
en opstanden ziet Tzu Hsi het als haar taak de wankele
dynastie voor de onvermijdelijke ondergang te behoeden. Haar fascinatie voor het ineenstortende keizerlijke regime deed Mayli Wen (1981) terugkeren naar het geboorteland van haar ouders. Daar verdiepte ze zich uitvoerig in de geschiedenis van de laatste Chinese dynastie. Mayli Wen woont en werkt in Drenthe. Momenteel werkt ze aan haar tweede roman. 'Schrijven over keizerin-moeder Tzu Hsi, voor het
Nederlands publiek, is een heldendaad.' - LULU WANG |
|
Madelon
Djajadiningrat |
|
|
|
Madelon Djajadiningrat heeft dankzij dagboeken, brieven
en archiefmateriaal een roman kunnen schrijven over
het leven van een vorst, die gedoemd is om 'tussen twee
werelden' te leven. Als een Javaanse vorstenzoon vertrekt
de hoofdpersoon in 1913 naar Nederland om aan de Leidse
universiteit Oosterse Letteren te studeren. De Eerste
Wereldoorlog breekt uit en tijdens de mobilisatie wordt
hij opgeroepen om Nederland te helpen verdedigen. De schrijfster is historisch-antropologe en getrouwd met een kleinzoon van deze vorst. Door haar contact met familieleden en tijdgenoten van de vorst en haar verblijf in het paleis kreeg zij toegang tot dit unieke materiaal. Zo kon zij in de huid van deze Javaanse vorst kruipen en zijn verhaal vertellen, dat ons verbindt met het leven in Nederland en Nederlands-Indië in de eerste helft van de vorige eeuw. 'Waarschijnlijk zullen maar weinigen zich realiseren
hoe zeldzaam een publicatie als Vorst tussen twee
werelden is.' - HELLA S. HAASSE |
|
Spiegel van de Lage Landen – Boeken over onze geschiedenis: Antoni van Leeuwenhoek wereldberoemd uitvinder van microscoop en ontdekker van de bacterie. |
|
|
|
Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723) was een wereldberoemdheid in zijn dagen. In de zeventiende eeuw werd een brief geadresseerd aan 'Leeuwenhoek in Europa' correct bezorgd. Filosofen en kunstenaars, wetenschapppers en vorsten, allen correspondeerden met hem of bezochten zijn laboratorium. Zelfs tegenwoordig nog heeft hij nauwelijks aan populariteit ingeboet: bij de verkiezing van de Grootste Nederlander belandde Van Leeuwenhoek bij de top tien. |
|
|
Herman Keppy
|
|
|
De op Ambon geboren gebroeders Tehupeiory behoren in 1907 tot de allereerste landskinderen van Nederlands-Indië die studeren in Holland – geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. De oudste had toen al furore gemaakt als auteur van ‘het beste boek ooit door een inlander in het Nederlands geschreven.’ Zijn jongere broer doet in 1909 van zich spreken, wanneer hij terug in Indië zowel een succesvol studiefonds voor de Molukse jeugd opricht als de nog steeds bestaande vakvereniging van Indonesische artsen. De begaafde dokters Tehupeiory worden in Batavia op handen gedragen door hun patiënten, bruin én blank. Vanwege hun pioniersrol op velerlei gebied worden zij verafgood door hun volksgenoten. Na de Tweede Wereldoorlog en Indonesische onafhankelijkheidsstrijd raken zij echter in de vergetelheid. Deze roman, gebaseerd op het omvangrijke privé-archief van de jongste broer, verhaalt over hun fascinerende leven en loopbaan, zonder voorbij te gaan aan de persoonlijke tragiek die schuilging achter de successen. Tegelijkertijd wordt een blik geboden op de laatste vijftig jaar Nederlandse overheersing van Indonesië, gezien vanuit de ogen van een intellectuele elite die, balancerend tussen haat en liefde voor het moederland, uiteindelijk voor het vaderland kiest. Herman Keppy (Amsterdam, 1960) is de zoon van een Molukse vader en een Nederlandse moeder. Na zijn examen aan de School voor Journalistiek in Utrecht werkte hij voor diverse dagbladen en tijdschriften. Als eindredacteur van het Molukse blad Marinjo ageerde hij in 2002 succesvol tegen de ‘viering’ van 400 jaar VOC; veel media-aandacht was zijn deel. Met Tussen Ambon en Amsterdam maakt hij zijn debuut als romanschrijver. |
|
Na Mykene een tweede historische liefdesroman van dezelfde auteur in de vroege middeleeuwen |
|
|
|
‘De Heer gaf ons geloof, hoop en liefde. Maar de grootste daarvan is de liefde, en dat geloof ik met heel mijn hart.’ Zo rechtvaardigt de vrome monnik Ogrin zijn fascinatie voor de Ierse prinses
Isolde. De beschermde kluizenaarswereld van Ogrin schudt op zijn grondvesten wanneer Tristan en Isolde bij hem aankloppen, op de vlucht voor degenen die hen hun liefde misgunnen. Niets zal daarna ooit meer hetzelfde zijn. |
|
Na Vergeten farao nu een tweede historische roman over Egypte |
|
|
|
Ongetwijfeld was farao Hatsjepsoet één van de machtigste koningen die ooit hebben geregeerd over het land van de
Nijl. Onder zijn bewind kende Egypte een langdurige periode van voorspoed, kwam de mooiste tempel uit de oudheid tot stand en werd de legendarische expeditie ondernomen naar het sprookjesachtige land
Poent. |
|
Barbara M. Veenman |
|
|
|
Er is in de loop der tijd al veel geschreven over de excentrieke farao
Echnaton en diens vroeg gestorven opvolger Toetanchamon, maar nooit tevoren
werd zijn verhaal op zo menselijke wijze verteld als in deze kroniek. Vlak na de mysterieuze dood van de nog jonge Toetanchamon besluit diens oude vizier Eje, de vader van Echnatons beeldschone vrouw Nefertete, alles op alles te zetten om de namen van zijn geliefde farao’s van de Zon aan de vergetelheid te ontrukken en hun ware levensverhaal op schrift te zetten. Vergeten Farao – Hofkroniek van de laatste Farao van de Zon is het wervelende romandebuut van Barbara M. Veenman en verhaalt op meeslepende wijze over liefde en oorlog, dromen en teleurstellingen en de eeuwenoude hunkering naar macht. Barbara M. Veenman (Rotterdam, 1962) is theologe en docente en zong
onlangs nog mee in de spraakmakende Nederlandse première van Philip
Glass’ gelijknamige opera over farao Echnaton. Eerder schreef zij de
bundel Een maaltijd van niets – Twaalf verhalen van bevrijding en leverde
zij een bijdrage aan de eigentijdse kerstverhalenbundel Voicemail (SGO
Hoevelaken). |
|
Cynthia
Mc Leod |
|
![]()
Omvang: 184 pagina’s ISBN:
9789054291596
|
Te lang is er gezwegen over
Nederlands aandeel in de transatlantische slavenhandel en over de slavernij
in Nederlandse koloniën. De laatste tijd is de belangstelling over dit
onderwerp echter groeiende. Niet voor niets gedenkt een op 1 juli 2002
onthuld nationaal monument dit slavernijverleden. In het geschiedenisonderwijs werd en wordt maar weinig aandacht besteed aan dit onderwerp, terwijl de periode van slavernij toch ruim driehonderd jaar duurde. Daarom weten veel Nederlanders niet welke voorstelling ze zich moeten maken over de mensonterende situaties tijdens de slaventransporten en in de omgang met slaven. Vandaar deze ‘dubbelbundel’ over de slavernij in Suriname en op de Nederlandse Antillen. SLAVERNIJ EN DE MEMORIE: Cynthia Mc
Leod hoopt met dit boek de slavernij een waarachtig gezicht te geven; geen
indianenverhalen, geen overdrijving, maar ook geen onderschatting. Gewoon, de
waarheid! De schrijfster (Paramaribo, 1936) publiceerde vier historische
romans bij Conserve: Hoe duur was de
suiker?, Ma Rochelle Passée – Welkom
El Dorado, Tweemaal Mariënburg en De
vrije negerin Elisabeth. Over Elisabeth Samson publiceerde ze een
studie. Daarnaast schreef ze het kinderboek Toen
het vakantie was. Ze is de dochter van dr. Johan Ferrier, de laatste
gouverneur voor Nederland in Suriname en Suriname’s eerste president. SLAAF EN MEESTER: Carel de Haseth (Curaçao,
1950), in het dagelijks leven Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse
Antillen in Nederland, debuteerde in 1969 met de dichtbundel 3
dagen vóór Eva. Hij schrijft zowel in het Papiaments als in het
Nederlands. In 2001 publiceerde hij de bundel Zolang
er kusten zijn bij In de Knipscheer, in wiens licentie uitgeverij
Conserve de novelle Slaaf en Meester uitgeeft.
Over die bundel schreef Jos de Roo in Trouw dat de schrijver er zijn
‘Caribisch levensgevoel’ in etaleert ‘dat niet denkt in
tegenstellingen, maar deze reduceert tot twee polen van dezelfde zaak: leven
en dood, eiland en zee, verleden en heden, blank en zwart, beweging en
stilstand.’ |
|
|
John
H de Bye |
![]()
Omvang: 374 pagina’s ISBN:
9789054291602 |
Vanuit vele duizenden pagina’s
tellend archiefmateriaal en na meer dan dertien jaar research heeft auteur John
H de Bye gegevens verzameld over de geschiedenis van de joden,
samengevat in het naslagwerk Historische
schetsen uit het Surinaamse jodendom. In 104 hoofdstukken behandelt
hij nagenoeg alle details die zo kenmerkend waren voor het joodse leven in
Suriname. Nimmer werd die kennis op deze wijze bijeengebracht. Zo zijn ook
alle voorhanden zijnde joodse namen van families die in Suriname gewoond
hebben (en waar ze gewoond hebben) verzameld. Niet voor niets beoefent John
de Bye de joodse genealogie (stamboomkunde) als hobby, waarvoor hij
jarenlang getracht heeft, na invoering van de beschikbare gegevens in de
computer, de verschillende familierelaties te achterhalen. Daarbij heeft hij
zelfs gegevens die teruggaan tot de dertiende en de veertiende eeuw in
Europa. John H de Bye werd in 1942 in Paramaribo geboren. Na de middelbare school te Paramaribo doorlopen te hebben, studeerde hij medicijnen aan de Universiteit van Utrecht. Hij deed zijn examen voor arts in Rotterdam, waar hij zich ook in de chirurgie specialiseerde. In 1974 keerde hij terug naar Suriname en vestigde zich als chirurg in Nickerie en later in Paramaribo. |
|
|
John H de Bye |
|
Prijs: Euro 16,- |
Na zijn omvangrijke en succesvolle debuut Ter dood veroordeeld – Liefde en dood in de Surinaams-joodse geschiedenis behandelt John H de Bye in zijn tweede Surinaamse historische roman opnieuw een belangrijk facet in de geschiedenis van de Portugese joden. Via de lotgevallen van Emanuel Touro beschrijft hij de uittocht van de Portugese joden vanuit Portugal naar Amsterdam, Brazilië en hun uiteindelijke vestiging in Suriname. |
|
|
Joyce
Tulkens |
|
|
Dit jaar 2001 is het 600 jaar geleden dat Jacoba van Beieren werd geboren op de dag van St. Jacob (Jacobus) naar wie ze werd vernoemd. De geschiedenis beschrijft haar als een onfortuinlijke vorstin die burgeroorlogen riskeerde om Holland te behouden. Maar wie was precies Jacoba van Beieren, die op
16-jarige leeftijd weduwe werd, haar vader verloor en de macht kreeg over
Holland, Zeeland en Henegouwen? Wat was er te verwachten van een jong
meisje dat tegen haar wil met haar neef moest trouwen? Heeft zij opdracht
gegeven haar machtige oom, de bisschop van Luik te vermoorden? Haar schuld
is nooit aangetoond, maar in Jacoba van Beieren – De nicht van de
bisschop bestaat over haar medeplichtigheid geen twijfel. Met gevoel en
begrip schetst Joyce Tulkens een overtuigend portret van deze jonge
middeleeuwse vorstin. Tegen de achtergrond van strijdende ridders en
dubbelzinnige zedenprekers probeert Jacoba zich aan het oude feodale
stelsel vast te houden. Gekweld door een nietsnut van een man, trotseert
ze haar hebzuchtige familieleden die alles in het werk stellen om haar uit
haar macht te ontzetten en gaat ze letterlijk over lijken om haar
erflanden te behouden. Aanvankelijk koos Joyce Tulkens voor het beeld als communicatiemiddel. Ze studeerde grafische vormgeving aan de kunstacademie in Utrecht. Toen ze zich met haar gezin in 1983 in Singapore vestigde werd ze vormgever en redacteur van verschillende magazines. Dat leidde tot een schrijfwoede die resulteerde in drie boeken waarvan de biografie van Poncke Princen de meeste opzien baarde. Achtereenvolgens publiceerde ze Wat dacht je van een nieuw lijf, een boek over esthetische chirurgie, en het Engelstalige Southeast Asia Art Today. |
|
|
J.
van de Walle |
|
|
Een vlek op de rug van J. van de Walle’s historische
roman over Suriname is een symbolische titel. Zakelijk-medisch gesproken, is
zo’n gevoelloze vlek op de rug het eerste symptoom van boassie – het
Surinaamse woord voor melaatsheid. Als je daarin kunt prikken met een speld,
zonder dat de zo gevlekte mens iets voelt, dan betekent dat een vonnis van
groot onheil, van lijfelijk verderf en dood. Van de Walle (die op 6 juni 2000 overleed) heeft dit
beeld tot een symbool van de slavenmaatschappij uitgebreid. Van de Walle
laat zijn hoofdpersoon vertellen hoe hij kersvers uit Holland in de West
komt om het beheer over een plantage te krijgen. Hoe hij daar leeft binnen
de coterie van de blanke gemeenschap: zijn omgang met zwarten en
kleurlingen: zijn persoonlijke reacties over deze omgang. Een hard leven in
een meedogenloos tropisch land. Een vlek op de rug is geen gruwelboek over de
slavernij, maar wel een menselijk boek waarin een brok koloniale
geschiedenis met veel verve tot leven is gebracht. Een goed boek, vol fijne
humor en spitse ironie in een pakkend verhaal. Door taal en stijl weet de
schrijver een heel aparte sfeer op te roepen, waarin het hem zeldzaam goed
lukt leven en denkwijze uit die tijd weer te geven. Tegelijk heeft hij de
actualiteit van het probleem, de vrijheid van de mens, ook in deze tijd tot
uitdrukking gebracht. Cynthia Mc Leod schreef het nawoord bij deze historische roman van Johan van de Walle (1912-2000), die onder meer hoofd van de gouvernementespersidenst was in Suriname, vanaf 1946 werd hij hoofd van de Westindische afdeling van Radio Nederland Wereldomroep. Op 15 juli 1945 publiceerde hij een kritisch rapport over de sociaal-culturele omstandigheden in Suriname, wat hem noch door de Surinaamse als Nederlandse overheid in dank werd afgenomen. Door een overheidsdienaar werd het echter bejubeld. Uit een heruitgave van zijn romans en verhalen in 1993 blijkt zijn grote band met het Caribisch gebied. |
|
|
John H de Bye |
|
paperback |
In 1803-1804 speelde zich in de kolonie Suriname een
drama af dat de bewoners van vooral Paramaribo maandenlang bezighield en
waarbij twee joodse planterszonen betrokken waren. John H de Bye, de
auteur van dit boek kwam bij toeval op het spoor van deze geruchtmakende
zaak, toen hij in het ‘Notulenboek van de Hoogduitsche Gemeente van 1795
tot 1805’ op zoek was naar stamboekgegevens van zijn familie. In het
Algemeen Rijksarchief in Den Haag vond De Bye in de documenten van de Raad
van Politie uit Suriname het hele proces rond de twee planterszonen,
Joseph del Castilho en Jacob da Costa. Vanuit het meer dan 2000 pagina’s tellend
archiefmateriaal en geplaatst tegen de schilderachtige achtergrond van de
laat 18e-eeuwse Surinaamse-joodse geschiedenis, kon de auteur zo
natuurgetrouw mogelijk de gebeurtenissen reconstrueren, die leidden tot de
dramatische dubbele moord in het bos van plantage Beaumond aan de
Boven-Surinamerivier. Namen van planters, ambtenaren, familieleden, slaven
en andere getuigen zijn authentiek, evenals de data en de ten laste
gelegde feiten. Met dit verhaal wordt dan ook een belangrijke bijdragen
geleverd aan de kennis van de geschiedenis van Suriname. John H de Bye werd in
1942 in Paramaribo geboren. Na de middelbare school te Paramaribo
doorlopen te hebben studeerde hij medicijnen aan de Universiteit van
Utrecht. Hij deed zijn examen voor arts in Rotterdam, waar hij zich ook in
de chirurgie specialiseerde. In 1974 keerde hij terug naar Suriname en
vestigde zich als chirurg in Nickerie en later in Paramaribo. |
|
|
Historische
roman over het oude Griekenland bij verschijnen reeds klassiek debuut |
|
Website |
In het meeslepende epos Mykene zijn elementen uit de
oude Griekse mythologie en geschiedenis met elkaar verweven tot een
romantisch en avontuurlijk verhaal. De ambitieuze Agamemnon van Mykene
trouwt met Klytemnestra, prinses van Sparta. Haar ondernemende zuster, de
schone Helena, laat zich schaken door de charmante zoon van de Trojaanse
koning en vormt indirect de aanleiding tot de Trojaanse oorlog. Het beleg van de Trojaanse citadel werd al beschreven
in de verzen van Homerus. De voorgeschiedenis werpt een heel ander licht op
deze oorlog; een oorlog die de levens zal veranderen van eenieder die erbij
betrokken is. Geheimen uit het verleden achtervolgen de hoofdpersonen –
Agamemnon, Klytemnestra en Helena – tijdens de lange jaren van het beleg.
Een dramatische ontknoping na de val van de stad is onvermijdelijk. Jacqueline Zirkzee is historica en publiciste. Mykene
ontstond na een jaren vergend onderzoek. Het verhaal is een mengeling van
geschiedenisfeiten en romantische fictie geworden. Ze woont met haar zoontje
Rembrandt aan het bekende Rapenburg in Leiden en werkt momenteel aan haar
tweede roman. |
|
Peter Dicker |
|
|
Prijs |
Wim Vaal diende van 1955 tot 1960 in het Franse Vreemdelingenlegioen. Bij
het eerste regiment parachutisten nam hij in 1956 als waarschijnlijk enige
Nederlander deel aan de dropping op Port Saïd en de acties bij het
Suezkanaal gewond. Hij werd even zo vaak onderscheiden en bracht het
ongekend snel tot de rang van onderofficier. Na zijn afwaaien in 1960 hielp
de BVD mee hem in de armen van de CIA en van de Franse geheime dienst te
drijven. Daar wijde hij nog tien jaar zijn beste krachten aan ‘het behoud
van de vrije wereld’. Een verhaal zoals in deze documentaire-roman wordt verteld, kon maar zelden eerder worden opgetekend. En al helemaal nooit uit de mond van een Nederlander. Auteur Peter Dicker kon rekenen op de toegewijde steun van Wim Vaal zelf, die zich inmiddels aan de Côte D’Azur gevestigd heeft. Peter Dicker (1952) publiceerde bij Conserve zijn debuutverhalenbundel De wolvebron, de romans Curaçao, mijn hart en Ithaka en de vertaling van Vassilis Vassilikos’ roman K. Voor Freek de Jonge stelde hij de bloemlezing De rode draad samen. Zijn prozagedicht Otzens Happy Hour werd bekroond met de jaarprijs van het Corps Consulaire op Curaçao. |
|
|
Rob van
Reijn
|
|
Prijs |
‘Wij zijn de bezems die het toneel schoonvegen voor de pantomimespelers,’ klaagden de acteurs in de Amsterdamse stadsschouwburg rond achttienhonderd. Na een toneelstuk kwam het publiek in grote getale naar het theater op het Leidseplein om zich te laten amuseren door een vrolijk, komisch nastuk, meestal een balletpantomime. De meest geliefde pantomimespeler in die tijd was Jan van Well, wiens komisch talent, volgens de toenmalige critici, ‘de lever deed schudden’. Vooral zijn Pierrotcreatie was onnavolgbaar. Franse pantomimespelers die in het gezelschap van
keizer Napoleon waren meegekomen bewonderden zijn improvisatietalent en
zijn spel. Hij was zeer creatief in het ontwerpen van diverse
pantomimeballetten die jaren na zijn dood nog op de planken van de
Amsterdamse Stadsschouwburg werden opgevoerd. Rob van Reijn (1929) is Nederlands beroemdste pantomimespeler en kenner van Amsterdam. Dit najaar neemt hij afscheid van het toneel. Met deze historische roman maakt hij zijn debuut. |
|
Hanny Alders |
|
|
ISBN |
Wanneer de paus in het jaar 1209 de gelovigen oproept tot een kruistocht tegen de ketters in het zuiden van Frankrijk, trekken drie broers en een neef van het geslacht Poissy ten strijde.
Volgens de kronieken sneuvelen twee van hen een paar maanden later tijdens een belegering. Wat de overgebleven Poissy's niet weten is dat de jongste broer Amaury niet is omgekomen, maar verzeild is geraakt tussen de aanhangers van het ketterse geloof. Hij leert
Colomba kennen, een jonge Kathaarse die hem de geheimen van haar geloof onthult. Hun prille liefde wordt wreed verstoord door de steeds verder oprukkende kruisvaarders. Ze slaan op de vlucht en worden daarbij geholpen door een raadselachtige Fries. De tragedie van deze twee jonge mensen wordt afgeschilderd tegen de achtergrond van de geschiedenis: de kruistocht tegen de Katharen, van de eerste roerige maanden van de invasie in de Languedoc tot en met de belegering van het legendarische bastion op de Montségur. Zie ook: In het spoor van de katharen |
|
S. Vestdijk |
|
|
| Richard Beckford wordt, na jaren in Engeland te hebben gewoond, teruggestuurd naar het Jamaica van zijn jeugd om poolshoogte te gaan nemen op de familieplantage. De suiker- en rumopbrengst is de laatste jaren sterk teruggelopen. Richard wil ook uitzoeken hoe zijn broer Peter, indertijd onder verdachte omstandigheden gestorven,
de dood vond. Maar in zijn hart hoopt hij de pirate Anne Bonney te vinden, voor wie hij vroeger een grote verering
koesterde. Hij raakte verwikkeld in een net van intriges.
Hugo Brandt Corstius over 'Rumeiland' (1940), dat beschouwd wordt als één van Vestdijks belangrijkste historische romans in NRC Handelsblad: 'Intellectueel, erudiet, zwaar, psychologisch, moeilijk, dat hoor je vaak over Vestdijk. Wie dat zegt heeft 'Rumeiland' niet gelezen ! 'Rumeiland' is een avonturenroman, zoals 'Schateiland' van Stevenson of 'Een hoge wind in Jamaica' van Hughes. Arthur van Schendel vond het Vestdijks mooiste boek.' |
|
Hanny Alders |
|
|
| 'Non nobis', de omvangrijke historische roman over de ondergang van de tempelorde, is het literaire debuut van
Hanny Alders. Zij plaatst de lezer in het jaar 1307, als tempelridder Richard de Bastaard onder mysterieuze omstandigheden Londen verlaat en zich naar Frankrijk begeeft, waar de sluwe Franse koning, Philips de Schone, de tempelorde beschuldigt van ketterij. De titel van het boek is ontleend aan het devies van de Tempel: 'Non nobis, non nobis, Domine, sed nomini tuo da gloriam - niet ons, niet ons, Heer, maar U zij de glorie'. Met de zelfde opofferingsgezindheid en zelfverloochening zet Richard de Bastaard zich in om de orde van de ondergang te redden. Tegelijkertijd zoekt hij naar het geheim dat de Tempel bewaart over de waarheid rond zijn geboorte, wordt Richard in zijn strijd niet alleen geconfronteerd met de Franse koning, de slappe houding van Clemens V, met edelen en geestelijken, maar ook met zijn eigen broeders en drie vrouwen, die hem elk op hun eigen manier begeren. Als deze strijd tenslotte gestreden is en hij daar lichamelijk en geestelijk gehavend uit verrijst, heeft hij weliswaar gevonden wat hij zocht, maar blijkt het voor veel dingen te laat te zijn. |
|
Cynthia Mc Leod |
|
|
| Omstreeks 1880 kocht de Nederlandsche
Handel Maatschappij plantage Mariënburg op en maakte die tot de grootste suikeronderneming in Suriname. Het zware veldwerk werd verricht door contractarbeiders,
die uit het voormalig Brits-Indië en Java werden gehaald. De arbeiders kwamen in opstand tegen uitbuiting en onderdrukking, met name in 1902, waarbij de directeur vermoord werd. Om de opstand te bedwingen werd op onschuldigen geschoten. Waren het bizarre ongelukken, die daarna gebeurden ? Of was het gepraat over vergelding, payman (Sranan), kwalat (Javaans) of karma (Sarnami) gewoon bijgeloof van een 'primitieve' niet-westerse bevolking ? Jetje Bergen groeit als kind van de boekhouder temidden van het tumult op. De angst laat haar niet los. Als zij later, als doktersvrouw naar Mariënburg teruggaat, blijkt dat de vroegere gebeurtenissen nog steeds
hun tol eisen.
Deze spannende roman is gebaseerd op waar gebeurde feiten en bevat heel weinig fictie. Wat is het lot van de onderneming Mariënburg ? Het eens zo rijke suikerland produceert, anno 1997, zelfs voor eigen gebruik niet eens een korreltje suiker meer. Kwalat ? Karma ? Payman ? De lezer mag zelf oordelen. |
|
Michael Kernan |
|
|
| Peter van Overloop, student kunstgeschiedenis aan de Columbia-universiteit in New York, heeft het geluk de aan Frans Hals toegeschreven dagboeken te mogen vertalen. De dagboeken zijn bij toeval gevonden in een schuur op
Long Island. Peter vergeet de drukke wereld om hem heen en stort zich met heel zijn ziel op de zeventiende eeuw
van Frans hals. Het is de tijd van Rembrandt en Descartes. Via de dagboeken krijgen we een beeld van de door alles
bewogen schilder: zijn liefde voor het doek en vrouwen, de tulpenwindhandel, die hem bijna noodlottig wordt, en het dagelijkse leven in Haarlem. Zo onstaat een sprankelende roman, boordevol historie over Frans Hals.
Michael Kernan (1927) was 23 jaar redacteur van de Washington Post. Hij schreef eerder een non-fictie-boek over de ervaringen van een jonge Britse mijnwerker bij de slag om de Somme in WO I. 'De verdwenen dagboeken van Frans Hals', vertaald uit het Engels door Aafke van der Made, is zijn eerste roman. |
|
Carl Barkman |
|
|
| Het boeiende levensverhaal van de jonge boeddhistische prins Asaray brengt de lezer in aanraking met drie beschavingen en twee van de grootste heersers van de achttiende eeuw: Catharina de Grote van Rusland en Ch'ien-lung van China. Een nomadenvolk, de Torgoeten-Mongolen, wordt in zijn bestaan bedreigd door Rusland. Asaray,
de tweede zoon van hun vorst, wordt door de Russen gegijzeld en in St.Petersburg opgevoed. Ondanks alle belemmeringen en verleidingen waaraan hij bloot staat, blijft hij zijn volk trouw. Tijdens een dramatische tocht van het hele volk naar Centraal Azië en hun confrontatie met de Chinese macht speelt Asaray een beslissende
politieke rol.
De auteur, die zowel Chinees als Russisch kent en veel in China, Rusland en Mongolië heeft gereisd, heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de Torgoeten. Deze roman is dan ook geïnspireerd door een aantal historische gebeurtenissen. Carl Barkman schreef eerder onder meer een biografie over de grote sinoloog en schrijver van Rechter Tie-detectives Robert van Gulik, 'Een man met drie levens' (samen met Helena de Vries - van der Hoeven), en de roman 'Drakendans' (een Chinese familie onder het juk van Mao). |
|
Carl Barkman |
|
|
| Een geheel ander boek dan het gebruikelijke over China. Deze roman, welke ook autobiografische elementen bevat, beschrijft niet alleen de aangrijpende persoonlijke belevenissen van een Chinese familie tijdens de catastrofes die Mao Tse-toeng met zijn grootheidswaan ontketende, maar de auteur weeft daar gebeurtenissen doorheen die ruim tweeduizend jaar geleden plaatsvonden onder de eerste Chinese keizer, Tsjin Sje Hwang-ti, wiens enorme ondergrondse terra cotta legers de wereld versteld hebben doen staan. Carl Barkman, schrijver, sinoloog en oud-diplomaat, die China uit eigen ervaring kent, schildert de verbijsterende overeenkomst tussen de eerste megalomane keizer en zijn navolger Mao. Hij laat zien hoe beiden sterk zijn beïnvloed door de cynische, amorele ideeën van filosofen uit de derde eeuw v. Chr. en op welk een wrede wijze deze heersers de 'Chinese draak' hebben doen dansen en kronkelen. |
|
Cynthia Mc Leod |
|
|
ISBN
| 'Ma Rochelle Passée, Welkom El Dorado' vertelt het wel en wee van de familie Couderc in het 19de-eeuwse Suriname. Aan het begin van het verhaal zijn deze nazaten van Franse hugenoten blank, op het eind zijn ze net als zoveel andere Surinaamse families: gekleurd. In deze koloniale maatschappij is de huidskleur voor veel mensen de
alles bepalende factor. Dat ondervinden Esthelle, kind van een slavin, haar blanke echtgenoot en hun kinderen. Als nog meer etnische groepen in deze smeltkroes komen, moeten ook de nieuwelingen hun plaats in deze ingewikkelde gemeenschap veroveren. Met veel verve en zeer gevoelig worden delicate en vaak pijnlijke kwesties
om 'kleur' verweven tot een intrigerende familiegeschiedenis, die van het begin tot eind blijft boeien en vooral buitenstaanders inzicht verschaft in dat wat zo typisch Surinaams en soms zo onbegrijpelijk is.
Cynthia McLeod werd in 1936 in Paramaribo geboren. Haar debuutroman 'Hoe duur was de suiker ?' werd niet alleen in Suriname (1987) maar ook in Nederland (1995) een groot succes. Met 'Ma Rochelle Passée, Welkom El Dorado' bewijst ze weer niet alleen een groot verteller maar ook een kenner van haar volk te zijn. |
|
Cynthia Mc Leod |
|
|
| De naam van Elisabeth Samson wordt in veel historische werken over Suriname genoemd, omdat zij in 1767 de eerste negerin was die wilde huwen met een blanke man.
Door zes jaar historisch onderzoek in binnen- en buitenlandse archieven en een zeer intensieve studie is het Cynthia Mc Leod gelukt de persoon die werkelijk schuil gaat achter deze vermelding op te sporen en levend te maken. Bovenal wordt inzicht verschaft in de sociale structuur van de slavenmaatschappij Suriname in de 18de eeuw. Hoewel de auteur dit onderzoek begon voor een roman over deze markante vrouw, besloot ze eerst en vooral een wetenschappelijk verantwoord verslag hierover te schrijven omdat in dit geval de werkelijkheid haar veel boeiender leek dan elke vorm van fantasie. Cynthia Mc Leod werd in 1936 in Paramaribo geboren en debuteerde in 1987 succesvol met haar historische roman 'Hoe duur was de suiker ?'. In 1993 publiceerde zij haar tweede historische roman over de Franse hugenoten en in hetzelfde jaar een studie over Elisabeth Samson. |
|
Cynthia Mc Leod |
|
|
ISBN | 'Hoe duur was de suiker ?' is het succesvolle romandebuut van Cynthia Mc Leod. In deze historische roman heeft zij met veel verve een stukje geschiedenis van Suriname tot leven gebracht. De roman speelt in de periode 1765-1779. Het is de bloeitijd van de suikercultuur en ook de periode van de Boni-oorlogen. De plantage-eigenaren leven in voortdurende vrees voor de aanvallen die marrons onder leiding van Boni uitvoeren op de plantages.
Tegen dit decor beschrijft Cynthia Mc Leod in meeslepende stijl het leven van Elza en Sarith, dochters uit een joodse plantersfamilie, en hun slaven. In de onrechtvaardige slavenmaatschappij die de kolonie Suriname is, ervaren meesters en slaven dat de suiker duur wordt betaald. Cynthia Mc Leod werd in 1936 in Paramaribo geboren. Na haar succesvolle romandebuut 'Hoe duur was de suiker ?' in 1987, waarvan in Suriname 12.000 exemplaren werden verkocht, publiceerde ze in 1993 haar tweede roman 'Vaarwel Merodia' en tevens een studie over Elisabeth Samson. |
|
Cynthia
Mc Leod |
|
|
|
De naam van Elisabeth Samson komt voor in grote historische werken over
Suriname, omdat zij in 1764 wilde trouwen met een blanke man en hiervoor
geen toestemming kreeg van het koloniaal bestuur. Wat jammer dat ze alleen
om dit feit in de gechiedenisboeken genoemd wordt, terwijl ze veel andere
belangwekkender zaken verricht heeft.
Na een twaalf jaar durend, zeer intensief archievenonderzoek doet Cynthia Mc Leod uit de doeken welk een markante persoonlijkheid Elisabeth Samson geweest moet zijn. Mede daardoor is het Elisabeth gelukt op eigen kracht uit te groeien tot de rijkste vrouw van Suriname in het midden van de achttiende eeuw. Deze periode, die de Gouden Eeuw van Suriname genoemd wordt, werd de piek van de driehonderjarige slavernij. Negers werden uit Afrika gehaald, volgens de Bijbel waren ze voorbestemd slaven te zijn; ze hadden geen rechten, aangezien ze volgens blanke suprematie wel fysieke kracht, maar zeker geen intellect of gevoelens zouden hebben. Hoe de vrije negerin Elisabeth zich heeft kunnen handhaven in die tegenstrijdige Surinaamse koloniale maatschappij, hoe ze heeft zaken kunnen doen ondanks haar kleur en wat ze daarbij gevoeld en gedacht moet hebben, is het onderwerp van deze boeiende roman. Cynthia Mc Leod (Paramaribo, 1936) publiceerde eerder bij uitgeverij Conserve een studie over Elisabeth Samson, de historische romans Hoe duur was de suiker?, Ma Rochelle Passée, Welkom El Dorado en Tweemaal Mariënburg en het kinderboek Toen het vakantie was. |
|
Hanny Alders |
|
|
ISBN
|
In 'Jan van Scorel, een leven in schetsen' vertelt Hanny Alders het levensverhaal van de beroemde schilder, architect en waterbouwkundige. Het is het verhaal van een ambitieuze, energieke, nuchtere Noordhollander, die door de gaven van zijn genie en door zijn contacten met grotere en kleinere machthebbers en intellectuelen in de gelegenheid was de ideeën van de Renaissance in de Nederlandse schilderkunst te introduceren en verbreiden.
De kroon op de carrière van deze Hollandse Leonardo da Vinci was de gedurfde drooglegging van de Zijpe, een kweldergebied ten noorden van het dorp Schoorl, waar hij bij het verschijnen van deze roman 500 jaar geleden werd geboren.
Hanny Alders werd in 1946 in Rotterdam geboren. Na omzwervingen in verschillende kunstvormen keerde ze terug naar haar twee jeugdliefdes: schrijven en geschiedenis. In 1987 debuteerde ze met de historische roman 'Non Nobis', die met het Gouden Ezelsoor werd bekroond, gevolgd door de novelle 'Waarom vraag je me te zingen ?' in 1988 en 'Marcabru, troubadour, huursoldaat en vrouwenhater' in 1992. |
|
Hanny Alders |
|
|
ISBN | 'Marcabru werd te vondeling gelegd voor de poort van een rijk man en nooit heeft iemand geweten wat zijn afkomst was of waar hij vandaan kwam. Bij Audric van Vilars werd hij opgevoed. Daarna begon hij verzen te maken en werd troubadour, een van de eersten die men zich herinneren kan. Hij maakte armzalige verzen en werd beroemd en alom geducht om zijn taal, want hij sprak kwaad van de vrouwen en van de liefde. Hij was zo'n lasteraar dat hij ten slotte werd vermoord door de kasteelheren van Guyenne, over wie hij veel slechts had gezegd.'De middeleeuwse vida's over de troubadour liegen er niet om. Toch geven deze korte levensberichten, die meer dan een eeuw na zijn dood werden geschreven, een ontoereikend beeld van de felle en soms boosaardige, maar ook hartstochtelijke, onafhankelijke en vaak ontroerende mens die Marcabru was. En wat was er waar van de moord die een einde aan zijn leven maakte ?
Hanny Alders werd in 1946 in Rotterdam geboren. Na omzwervingen in verschillende kunstvormen keerde ze terug naar haar twee jeugdliefdes: schrijven en geschiedenis. In 1987 debuteerde ze met de historische roman 'Non Nobis', die met het Gouden Ezelsoor werd bekroond, gevolgd door de novelle 'Waarom vraag je me te zingen ?' In deze geromantiseerde biografie reconstrueert zij het leven van de troubadour Marcabru aan de hand van de ruim veertig verzen die van hem bewaard zijn gebleven. |
|
Jan Houdijk |
|
|
ISBN | Vijfduizend jaar voor Christus. Europa is bedekt met een geweldig oerbos, waarin linden, eiken en iepen overheersen. Het klimaat is zachter dan nu, er valt meer regen. Het Noordzee-bekken is nog maar 'net' volgelopen.
Op de grens tussen zee en land, daar waar het water en de vegetatie altijd met elkaar in oorlog zijn, leven mensen.
Ze bestaan van visvangst en jacht en van het verzamelen van vruchten en eetbare planten. Raven is met zijn dertien zomers een zoon van dit jagersvolk. Zijn vader is verdronken. Daarna vindt zijn moeder een nieuwe levensgezel. Diens houding is voor de jongen zo onverdragelijk, dat hij besluit om van huis weg te lopen en pas terug te komen wanneer hij sterk genoeg is om de indringer te verdrijven. Het boek is het verslag van de reis die Raven maakt naar het hart van het 'rijk van de langhuisbouwers'. Als hij na een jarenlange omzwerving inderdaad de weg naar huis inslaat, is Raven niet alleen getekend door alle gevaren en avonturen die hem zijn overkomen, maar voert hij ook een 'revolutie' mee naar onze streken: een kleine veestapel, als eerste aanzet voor een nieuwe leefwijze die ten slotte de oude geheel zal verdringen.
Jan Houdijk (1940) schreef deze uitzonderlijk spannende, epische roman over een belangrijk moment uit de prehistorie. Aan het boek ligt een gedegen research ten grondslag. 'Raven' is zijn debuut. Daarna publiceerde hij de middeleeuwse roman 'De weg naar de sterren' en - samen met zijn vrouw Cootje - 'Naar de ware jacob', dagboek van een voettocht naar Santiago de Compostela. |
|
Hanny Alders |
|
|
ISBN |
Omstreeks het jaar 818 wordt een kleine jongen door zijn ouders aan het klooster van Fulda (Hessen) geschonken.
Temidden van andere kind-monniken groeit Godeschalk op, maar hij is niet gelukkig. Hij vecht om zich te bevrijden van de enge banden van het klooster en slaagt er zelfs in Fulda te ontvluchten. Dan ontdekt hij de geschriften van Augustinus die een keerpunt in zijn leven betekenen. Hij reist naar Rome, predikt in Noord-Italië en onderneemt een missiereis naar de Balkan. Ten slotte gaat hij terug naar Duitsland om een aanklacht wegens ketterij te weerleggen. De laatste twintig jaar van zijn leven brengt Godeschalk door in de strafcel van een klooster in Noord-Frankrijk, vanwaar hij zijn geschriften de wereld in zendt. Eén daarvan is een lied van tien strofen, waarin steeds dezelfde woorden terugkeren: o, waarom vraag je me te zingen ...? |
|
Jan Houdijk |
|
|
| 'Je had me die ochtend moeten zien wegstappen. Ik was knap van gestalte en voorkomen: mijn haar blond als de vlakte van Castrojeriz, mijn ogen blauw als de hemel hier boven ons. Ik was gevoed uit een rijke beurs en gekleed in dure geweven stof - een goudhaantje (...) De hoed met brede rand waarop ik, een wissel trekkend op de goede afloop van onze tocht, de Jacobsschelp al had vastgemaakt stond zwierig op mijn hoofd.'
De lustige pelgrim is Hugo van Xanten, wanneer hij samen met zijn ouders uit het Rijnland naar Santiago de Compostela vertrekt. Maar God of de duivel heeft onverwachte dingen met hem voor. Oud geworden, op zijn laatste vermoeiende reis onder de levenden, vertelt Hugo aan ieder die hem het oor wil lenen over zijn wonderlijk verlopen leven. Jan Houdijk heeft de meest bekende legende verbonden aan de pelgrimage naar Santiago - die van de gehangene van Santo Domingo de la Calzada - tot uitgangspunt genomen van zijn vertelling. Het fel gekleurde bestaan in de twaalfde eeuw, op en langs de wegen, in klooster, hospitaal en stad, wordt aan de hand van Hugo's levensverhaal getekend. 'De weg naar de sterren' is Jan Houdijks tweede boek. Eerder verscheen van hem de roman 'Raven', over een jagerszoon in de prehistorie. |