Het lied van Rosa - Gerwin van der Werf
Hemelse muziek en een onbarmhartige wereld
Over het allereerste notenschrift
Het is een stevige kluif, de nieuwe roman van Gerwin van der Werf, zowel qua omvang als qua inhoud. Maar het is wel een verdraaid smakelijke kluif. In Het lied van Rosa leeft Van der Werf zich helemaal uit in zijn oorspronkelijke vakgebied: de muziek, in dit geval het ontstaan van het allereerste notenschrift. Hij doet dat in een dubbelverhaal waarin hij schakelt van het meisje Rosa dat eind 10e eeuw leeft en de muziekwetenschapper Friso van der Werf (niet toevallig Van der Werfs eigen tweede voornaam en blijkens zijn nawoord ook werkelijk in eerste aanleg gebaseerd op eigen ervaringen) die in 1992 onderzoek doet naar de Codex 239, een beroemd Middeleeuws handschrift met gregoriaanse gezangen. Hoewel duizend jaar Rosa en Friso scheiden, is die Codex iets wat hen onlosmakelijk verbindt.
Over de auteur
Gerwin Friso van der Werf (De Meern, 1969) is schrijver, columnist en muziekdocent. Zijn novelle De krater was het Boekenweekgeschenk van 2025. Van der Werf debuteerde in 2011 met Gewapende man. Met zijn tweede boek, Wild, haalde hij de longlist voor de Libris Literatuurprijs, net als met zijn vierde, Strovuur. Hij heeft inmiddels acht romans op zijn naam staan.
Gregoriaans
Gregoriaanse muziek, de alleroudste muziekhandschriften, wetenschap, religie en het leven rond het jaar 1000 in het Heilige Roomse Rijk, het klinkt zo op het eerste gehoor wat stoffig. Maar Van der Werf slaagt erin zijn verhaal licht en boeiend te houden. Al spaart hij zijn lezer niet. Met name op muziekgebied zal die regelmatig een tandje bij moeten zetten. Zinnen als (handelend over een melodie): ‘Voortdurende grote sprongen, in de eerste modus van de grondtoon naar de vijfde toon, wat in de kerkgezangen de reciteertoon zou zijn, dan de zesde toon erbij, droevig, als een snik gezongen’ maken het de niet in muziektheorie onderlegde lezer niet makkelijk
Het jaar 1000
Maar wie die moeite wil nemen (en wie wil dat niet als er een meeslepend verteller als Van der Werf aan het woord is), wordt rijkelijk beloond. Hij vergast zijn lezers op een verhaal dat breed uitwaaiert en een uiterst boeiende blik biedt op het leven rond het jaar 1000.
Hoofdpersoon is Rosa, een jong meisje. Geboren in een gehucht met 25 zielen, haar moeder gestorven bij haar geboorte, haar vader kleedt haar van het begin af aan in jongenskleren om haar te beschermen tegen de gevaren die meisjes nu eenmaal lopen. Maar vader doet meer: hij vertelt Rosa verhalen, leert haar een beetje schrijven met een stokje in de modder en wat Latijn. Het gerucht gaat dat hij zelf een tijd lang monnik geweest is, maar niemand weet daar het fijne van.
Zwarte Woud
Het dorp ligt midden in het Zwarte Woud op de grens van twee graafschappen en is daardoor omstreden gebied. Als op een nacht Rosa besluit om buiten, in de boot die er afgemeerd ligt te gaan slapen om zo uit de stank in de hut te zijn, vallen soldaten van de Graaf van Calw het gehuchtje binnen. Iedereen moorden ze uit, maar in de boot kijken ze niet.
Als enige overlevende belandt ze daarna als noviet in het naburige klooster. En daar vat zij, door iedereen aangezien voor een jongen, een vurige liefde op voor zingen: de psalmen en de antifonen (gezang dat een psalm of liturgische handeling inleidt en afsluit). Met haar absolute gehoor hoort zij haarzuiver dat de monniken behoorlijk vals zingen en geen toon kunnen houden, maar dat deert haar amper. Zingen, zelf melodiëen verzinnen, het beheerst haar denken en doen, terwijl ze tussendoor psalmboeken kopieert. Meezingen in de schola mag ze niet, omdat ze slechts een noviet is.
Bezoek van de gezant
Als een gezant van de aartsbisschop het klooster bezoekt en de cantor (voorzanger) zich ziek meldt, mag zij ondanks haar lage status zijn plaats innemen. De gezant is onder de indruk van haar stem, maar uiterst ontevreden over de prestaties van het koor als geheel. ‘Er worden gezangen overgeslagen, psalmtonen zijn onjuist, eenvoudige lezingen worden verkeerd uitgevoerd, antifonen zijn een ramp,’ oordeelt hij. En daarom wordt Rosa, in het klooster Carolus geheten, op een missie gestuurd. Ze moet naar Metz om daar een boek te gaan kopiëren. Het gaat om een spectaculaire nieuwigheid, een graduale, waarin alle door het jaar heen wisselende gezangen voor de mis zijn vastgelegd in een zeer ingenieus systeem van tekens, die men neumen noemt, een ‘systeem dat het toonhoogteverloop van de melodiëen beschrijft’.
Barre voettocht
Wat volgt is de wekenlang durende barre voettocht van Rosa naar Metz, haar avonturen in Metz waar niet iedereen haar goedgezind is, haar vlucht, haar verblijf in een vrouwenklooster en uiteindelijk haar terugkeer naar het klooster van Hirsau, dat inmiddels met de grond gelijk gemaakt blijkt te zijn.
Van der Werf wisselt dit verhaal af met de belevenissen in 1992 van zijn alter ego. Die hoopt op een promotieplaats bij professor Pelleboer en reist daarom af naar de Franse stad Laon, waar de originele Codex 239 bewaard wordt, het handschrift dat Rosa duizend jaar eerder kopieerde. Natuurlijk had Van der Werf de pagina’s van dit handschrift ook gewoon op microfiche kunnen bekijken, maar hij heeft een bijbedoeling met zijn reis: proberen te achterhalen hoe het komt dat een aantal bladzijden in de codex ontbreken. Zijn ze bewust verwijderd en zo ja, eruit gescheurd of gesneden en waarom? Maar tijdens zijn verblijf in Laon gaat werkelijk alles mis wat mis kan gaan: Zijn verzoek tot inzage van het manuscript blijkt nooit ontvangen te zijn, in de bibliotheek treft hij een Amerikaanse collega die wél inzage heeft, kortom, zijn reis loopt uit op een totale mislukking.
Bobbio Broers
Van der Werf heeft zich uitputtend verdiept in zijn onderwerp. Beeldend beschrijft hij het leven rond het jaar 1000, moeiteloos wekt hij zijn personages tot leven, in een mengeling van historische en fictieve personen. De stotterende Balbulus, de wonderlijke Bobbio Broers, de uiterst intelligente, maar onsympathieke Guillaume de Volpiano, je sluit ze in je hart of vervloekt ze. Humor wordt afgewisseld met een vleugje drama, overal mixt Van der Werf feiten met bijzonder smakelijke fictie. Je ruikt de smerige geur van uitwerpselen en kots, je hoort de hemelse gregoriaanse gezangen, je voelt de modder onder je voeten.
Ergens laat de schrijver zijn alter ego verzuchten: ‘Ik wil een boek schrijven over die verloren eeuw, een boek waarin de muziek centraal staat. Een verhaal loswrikken uit de klauwen van het verleden.’ En dat is precies wat hij met dit boek onweerlegbaar knap gedaan heeft.
Sonja de Jong
Gerwin van der Werf – Het lied van Rosa, Atlas Contact, ISBN 978 90 254 7863 6, 455 pagina’s, € 26,99, september 2026
