Aan het einde van de oorlog - Bert Natter
Ontluisterend verslag van de laatste dagen van de oorlog
Hypnotiserend en gruwelijk
Eén etmaal in een concentratiekamp, aan het einde van de oorlog. In een onafgebroken stroom van handelingen en gedachten van ruim dertig personages, telkens overstappend op een ander personage, in korte zinnetjes, beleeft de lezer bijna in real time de wanhopige laatste uren, als van de ene kant de Russen het kamp naderen en vanaf de andere kant de Britten. Dik 640 pagina’s, zonder een seconde pauze, met intense wreedheden en kleine daden van medemenselijkheid. En het is hypnotiserend. Geen boek dat je voor je plezier leest, maar wel een boek dat je pas weg kunt leggen als het allemaal ten einde is.
Over de auteur
Bert Natter (Baarn, 1968) publiceerde diverse non-fictiewerken, voordat hij in 2008 literair debuteerde met de roman Begeerte heeft ons aangeraakt. Deze werd gekroond met de Selexyz Debuutprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Andere boeken van zijn hand zijn onder meer Remington en Ze zullen denken dat we engelen zijn.
De vorm die Bert Natter zijn boek gaf is ongewoon. Hij opent met het opsommen van 31 personen die alle in het grote concentratiekamp, een uurtje rijden vanaf Berlijn, verblijven, sommigen als werknemer, andere als gevangene. Vooral veel vrouwen: verzetsstrijdsters, Jehova’s getuigen, communisten, zigeuners en Joden. Hoeveel er in het kamp wonen weet zelfs de kampcommandant niet. Vijftigduizend, schat hij. Maar het kunnen er ook best tienduizend meer zijn. Sommigen worden er al twaalf jaar vastgehouden, vanaf het moment dat de nazi’s de macht grepen, anderen pas enkele maanden. Allemaal uitgemergeld, verhongerd en meer dood dan levend.
Onderkruipsels
En tegenover die gevangenen staan de bewakers, het administratief personeel, de kampcommandant en zijn plaatsvervanger met diens vrouw en twee zoons. Allemaal overtuigd, of dat proberen ze zichzelf te doen geloven, dat ze het enig juiste doen: iedereen uitroeien die niet tot het Arische ras behoort, al die smerige onderkruipsels.
Maar het einde van de oorlog nadert. Overduidelijk is het al dat het Duizendjarige rijk dat Hitler beloofde ten ondergang gedoemd is. En dus is er paniek in het kamp. Vanuit Berlijn arriveren elk uur nieuwe orders: alle papieren en de gaskamer vernietigen, alle gevangenen doden, alleen de meest toonbare opkalefateren voor het aanstaande bezoek van het Internationale Rode Kruis.
Feestdag
Het is 20 april 1945, de verjaardag van Hitler en dus officieel een grote feestdag in het kamp. Maar tegelijkertijd kunnen elk moment de Russen arriveren. Er moet gefeest worden, maar tegelijkertijd moet ook alles wat aan de gruwelen van het kamp herinnert, verdwijnen.
Plaatsvervangend kampcommandant Karl Zehlendorf probeert te blijven doen of er niets aan de hand is. Vanavond zal hij op de Bechstein spelen die lang geleden met een trein met van joden geroofde kostbaarheden in het kamp arriveerde. Want voor de oorlog droomde Karl van een carrière als wereldberoemd concertpianist. Door een dom ongeluk heeft hij nooit kunnen afstuderen aan het conservatorium, maar straks, als de oorlog voorbij is, dan krijgt hij vast en zeker een nieuwe kans. Hij heeft zowaar een Jood gevonden die naar eigen zeggen voor de oorlog in het Wiener Philharmoniker speelde en die de vleugel kan stemmen. Het moet koste wat het kost een triomfantelijke avond worden.
Broers
Maar tijdens de lunch zitten zijn zoons van vijftien en elf te klieren met elkaar. Zehlendorf stuurt ze naar buiten. Ga maar vissen in de sloot, maar niet naar het meer gaan, dat is gevaarlijk, drukt hij ze op het hart. Vanaf dat moment volgen we de jongens die – uiteraard – toch naar het meer gaan. Verpleegkundige Johanna, die de dokter helpt bij zijn griezelige medische experimenten en stug blijft geloven dat hij het goede doet, ziet ze lopen. En heel veel anderen vangen in het voorbijgaan ook een glimp op van de jongens.
Eenmaal bij het meer krijgen de twee ruzie. De een gooit de hengel van de ander in het water, de ander duwt zijn broer er achteraan en het eindigt ermee dat de jongste van de twee, Ernst, wegloopt. Die komt zo wel terug, meent Reinhart, zijn oudere broer. Maar Ernst komt niet terug. Ademloos volg je als lezer de gebeurtenissen, die zich als een noodlotssonate voltrekken. Iedereen heeft wel iets gezien, maar niemand heeft ingegrepen. En niemand durft, als de jongen verdwenen blijkt te zijn, toe te geven dat hij iets gezien heeft.
Realiteit
Natter bespaart je geen enkel detail. In bijna zakelijk proza toont hij je door de ogen van al zijn personages de werkelijkheid van het kamp. Geen kans om weg te kijken. De verkrachtingen, de martelingen, de dwangarbeid, de gaskamers, van seconde tot seconde drukt Natter je op de realiteit. Een realiteit die SS-Obersturmführer Zehlendorf weigert onder ogen te zien. Zijn houding en die van de bewakers, de kamparts en al die andere radertjes die het functioneren van het kamp mogelijk maken, roept herinneringen op aan die uitspraak van filosofe Hannah Ahrendt over de banaliteit van het kwaad. Want banaal zijn ze bijna allemaal, de mensen die in het kamp werken. Ze maken zichzelf wijs dat al deze gevangenen hun lot aan zichzelf te danken hebben. Joden drinken immers het bloed van christenkindertjes en zigeuners zijn al geen haar beter.
En ondertussen doen en denken ze ook dingen die wij allemaal wel eens denken en doen, heel alledaagse dromen en verlangens. Doodgewone mensen zijn het, die andere doodgewone mensen martelen en de gaskamer injagen. Want ja, de Führer zegt het. ‘Voor Herbert is het probleem van de joden en de linkse volksvijanden iets waar hij zich niet druk over heeft gemaakt. Het leken hem zaken die werden opgelost door het Rijk.’
Punctualiteit
Zo ook Zehlendorf, het prototype van de gehoorzame militair. Hij is trots op zichzelf, op zijn punctualiteit waarmee hij alles wat er gebeurt vastlegt: de aantallen die naar de gaskamer gaan, de gevangenen die tijdens het appel bezwijken of tijdens het zware werk. Hij beschouwt die lijsten als ‘een pronkstuk waarvan hij ooit, op een feestelijk moment een uittreksel, gevat in een fraai gekalligrafeerd omslag, aan de Reichsführer-SS persoonlijk had willen overhandigen. ‘
En zichzelf ziet hij als rolmodel en hoeder van werkelijke beschaving. Tot het laatst toe wil hij blijven geloven dat hij alleen maar zijn plicht doet. En ook de kamparts is er, zelfs na zijn vlucht uit het kamp, nog altijd van overtuigd dat hem over een paar jaar, als de rust weergekeerd is, de Nobelprijs zal worden toegekend voor zijn gruwelijke experimenten.
In zo nu en dan ultrakorte fragmenten, steevast voorafgegaan door een naam en een plaatsbepaling (Gisele in de gaskamer, Emanuel voor de hoofdpoort) sleurt Natter je mee in de observaties van al zijn personages, wegkijken onmogelijk. Vierentwintig uur duren de gebeurtenissen en eigenlijk wil je het allemaal niet lezen. Maar Natter presteert het onmogelijke: tegen wil en dank lees je door. En ook daarna nog laten die beelden je niet snel meer los.
Sonja de Jong
Bert Natter – Het einde van de oorlog, Thomas Rap, ISBN 978 94 004 0821 0, 640 pagina’s, € 29.99, februari 2025
