De honingslager - Fred Pelt
Twee jaar tewerkgesteld in Nazi-Duitsland
Niets aan de hand, alles kwam goed
Natuurlijk komen de oorlogsgruwelen in al hun verschijningsvormen aan bod in De honingslager, de eerste roman van Fred Pelt: meedogenloze soldaten, profiteurs, bombardementen. Maar vooral laat dit boek toch zien hoe het gewone leven tegelijkertijd gewoon doorging en dat mensen, of ze nou Duits of Nederlands zijn, vooral proberen om het er zelf levend vanaf te brengen.
Over de auteur
Fred Pelt (1956) werkte ruim 25 jaar als tentoonstellingmaker bij Teylers Museum in Haarlem. In die jaren publiceerde hij een toneelstuk en twee dichtbundels. De honingslager is zijn romandebuut.
Tewerkgestelde
Fred Pelt baseerde zich voor zijn boek op een verslag van twintig kantjes dat zijn vader in de jaren zeventig schreef over zijn twee jaar durende verblijf in Duitsland in de. oorlogsjaren, als tewerkgestelde. Centraal staat de relatie tussen Lucas de Waal (alter ego voor de vader van Pelt) en Stephan Versteeg. Een uiterst moeizame relatie, want de twee hebben heel uiteenlopende ideeën over hoe je je moet gedragen in een situatie als de hunne.
Doorgangskamp
De twee mannen, allebei een jaar of negentien, leren elkaar kennen in een doorgangskamp. Beiden zijn ze in het voorjaar van 1943 opgepakt, Stephan tijdens een razzia op straat, Lucas min of meer per ongeluk, nadat hij aanvankelijk door een vergissing de dans ontsprongen leek. In het kamp moeten zij afwachten waar zij te werk gesteld zullen worden. Meestal is dat in een munitiefabriek of een ander bedrijf waar goederen voor de oorlog vervaardigd worden en waar de tewerkgestelden eindeloos lopende bandwerk moeten verrichten.
Honinggroothandel
Maar Stephan en Lucas hebben mazzel: ze worden gerekruteerd door de bedrijfsleider van een honingroothandel in de Berlijnse voorstad Pankow. Het wordt hun taak om regelmatig de ruwe honing te gaan ophalen bij de boeren in de wijde omgeving en deze vervolgens in grote kuipen met heet water vloeibaar te laten worden en vervolgens in potten te doen en van etiketten te voorzien. Eigenaar van het bedrijfje is de weduwe Schwabe. Zij bekommert zich niet om de groothandel, dat laat zij helemaal over aan haar bedrijfsleider, Herr Rutger. Hij is het prototype van de foute Duitser: veel te dik, kleine varkensoogjes, machtsbelust en heilig overtuigd van de superioriteit van het Arische ras.
Vrienden
In het Berlijn van april 1943 en ook in de maanden erna is nog weinig te merken van de oorlog. Het leven gaat gewoon zijn gangetje: Lucas en Stephan maken Duitse vrienden en vullen hun tijd met zwemmen in de Havel, picknicken op de oevers ervan, bioscoopbezoek, uit eten gaan, meedoen in een zangkoor, naar vioolles gaan, kortom: ze hebben het betrekkelijk goed. De weduwe Schwabe is een goedaardige vrouw die zich helemaal richt op haar paradijselijke tuintje en zich verder nergens mee bemoeit, Herr Rutger een pestkop die hard brult, maar niet echt bijt.
Luizenleventje
Je zou het bijna een luizenleventje willen noemen. Maar de relatie tussen de twee mannen vertroebelt de rust. Stephan is streng gereformeerd en piekert over alles in het leven, Lucas atheïst en vooral gericht op het redden van zijn eigen hachje. Als Herr Rutger de twee een Bockwurst aanbiedt, weigert Stephan categorisch, als de weduwe vraagt of Stephan een keer viool wil spelen voor haar, weigert hij ook dat aanvankelijk. Dit alles tot grote boosheid van Lucas. Die wil niemand boos maken en zo onopgemerkt mogelijk zijn tijd in Duitsland uitzitten.
Bombardementen
Gaandeweg verslechtert de situatie ook in Berlijn. Eten wordt schaarser, bombardementen veelvuldiger. Ook Lucas kan zijn ogen niet langer sluiten voor de realiteit, als hij een keer samen met Herr Rutger honing aan het ophalen is en getuige is van de zinloze moord op een te werk gestelde Rus. Maar zijn uitgangspunt blijft: laten we nou niet de held gaan uithangen […] Je dekking niet verwaarlozen, als je dekking weg is, kun je niet meer weg kijken.
Het is die spagaat tussen enerzijds de oorlog om hen heen en anderzijds het normale leven dat gewoon doorgaat, die Pelt zichtbaar maakt. Zoals in de scene waarin Lucas, het is inmiddels al begin 1945, bestellingen rondbrengt. Op het aangegeven adres blijkt kort daarvoor een bom gevallen. Alleen de voorgevel staat nog overeind, erachter zijn slechts nog de contouren van de vroegere vertrekken onder de blote hemel te zien. De bewoner is in geen velden of wegen te bekennen, mogelijk ligt hij onder het puin. En dan rinkelt, als Lukas daar is, in die bizarre situatie opeens de telefoon die nog altijd op een tafeltje staat. ‘Bist Du da, Klaus?’ Ik gromde zo’n beetje en meteen begon ze opgewonden te praten. ‘ Wir haben heute morgen geschwommen, Klaus. Und Sonja hat sich verletzt, ein schlimmer Fuss’. […] Telefoons gingen nog gewoon over, films werden nog vertoond, het Philharmoniker gaf nog regelmatig uitvoeringen. Er was niets aan de hand, alles kwam goed.
Sonja de Jong
Fred Pelt – De honingslager. De Kring, ISBN 978 94 629 7373 2, 240 pagina’s, € 23.99, april 2026
