De trip van Ferdinand Hania - Theodor Holman
Nieuwe, complexe roman van Theodor Holman
Het verhaal eindigt zo’n dertig jaar later, in 2018 in Rio de Janeiro
We ontmoeten hoofdpersoon Ferdinand Hania in het Amsterdam van 1969, hij is gymnasiast. Al snel maken we kennis met een aantal klasgenoten: Alma, ‘haar rode haren vlamde altijd om haar hoofd,’ op wie Ferdinand verliefd is, en Bob, met wie Alma een stel vormt: ‘Bob kwam niet uit het vuur, maar wilde ik er wel inwerpen.’
Daarnaast Joost – ‘Laat ik nu net een seconde mijn naam vergeten zijn… Ik heet iets met een X, een P en een M, o ja, Joost’ – en Marise, met wie Ferdinand het bed deelt: ‘Mijn ziekte is… dat als ik masturbeer, ik alleen maar kan denken aan dode jongens. […] Anders kan ik niet klaarkomen.’
Deze jongeren hebben de gewoonte quasifilosofische gesprekken met elkaar te voeren. Ze praten over Socrates en Plato, Paulus en Maimonides. Ze vertellen elkaar verhalen en dragen gedichten voor, “om beter te worden. Beter dan we op school leren.”
Ferdinand hoort er niet helemaal bij: ‘Ik sprak hun taal niet, hoewel ik ze wel kon verstaan. Hun zinnen waren grenscontroles waarvan het steeds de vraag was of ik er wel langs mocht.’
Met Alma heeft hij één seksuele ervaring, ze pijpt hem, maar dat is ook gelijk de laatste keer dat hij haar zal zien.
Naast de contacten met leeftijdsgenoten, lezen we over het contact dat Ferdinand met zijn ouders heeft. Ze hebben in Indië in een Jappenkamp gezeten en dat heeft hun leven verwoest. Zijn moeder gaat dood, maar Ferdinand, die veel van zijn moeder hield, laat geen traan. In de familie was huilen taboe. Hij wijt dat aan schaamte: ‘We schaamden ons omdat we ons klein voelden.’ Zijn vader komt in een tehuis terecht.
Vincennes
Ferdinand gaat bij een krant werken, bij Het Parool, hoewel deze naam niet genoemd wordt. Hij krijgt affaires met diverse collega’s en ook met Anneke, de psychiater van zijn vader.
Op een gegeven moment geeft hij de krant te kennen naar Parijs te willen, naar de Universiteit van Vinvennes, waar veel Nederlanders studeren. Hij wil weten wat ze drijft en hoe ze daar leven. Zijn verzoek wordt ingewilligd.
Daar ontmoet hij de Nederlandse studente Laura, geheel in het zwart gekleed, mank lopend en lesbisch. Ook oud-klasgenoot Bob is er, die Ferdinand vertelt dat Alma en Joost naar India gegaan zijn en dat Alma’s vader, zelf psychiater, in een inrichting is opgenomen.
In Parijs krijgt Ferdinand een telefoontje: zijn vader is weggelopen. Als hij terug in Amsterdam is, blijkt dat zijn vader uit zichzelf is teruggekomen. Maar het gaat niet goed met hem en hij overlijdt.
LSD
De lezer komt vervolgens terecht in het Amsterdam van 1985. Ferdinand werkt nog altijd bij de krant, hij is opgeklommen tot adjunct-hoofdredacteur; hij heeft nog altijd seksrelaties met collega’s en met Anneke, de voormalige psychiater van zijn vader.
Wanneer haar man Bram op reis is (naar Auschwitz) vraagt Anneke of ze samen met Ferdinand LSD zou kunnen uitproberen, ze heeft gelezen over het gebruik ervan voor therapeutischedoeleinden. Ferdinand is ervaringsdeskundige, hij rookt niet alleen joints, maar snuift ook zo nu en dan cocaïne en heeft ook kennis met LSD gemaakt.
Hij geeft Anneke een bescheiden dosering, zelf doet hij alsof, hij neemt niets.
Wanneer Anneke voor pampus ligt, gaat de telefoon. Ferdinand neemt op. Bram ligt in coma in een ziekenhuis in Duitsland en Anneke wordt gevraagd te komen. Omdat zij niet aanspreekbaar is, schrijft Ferdinand haar een briefje met uitleg en vertrekt.
Als hij Anneke de volgende dag belt is ze boos. Tijdens het gesprek brengt hij een overlijdensadvertentie uit de krant te berde: Alma’s vader, collega psychiater van Anneke, heeft zelfmoord gepleegd. Annekes naam staat onder de advertentie, maar die van de oude liefde van Ferdinand, dochter Alma, niet. Anneke verklaart: ook Alma heeft zelfmoord gepleegd. Anneke verdwijnt uit Ferdinands leven.
Fernando
Het verhaal eindigt zo’n dertig jaar later, in 2018, in Rio de Janeiro. Studente Laura is inmiddels opgeklommen tot cultureel attaché voor de Europese Unie. Ferdinand gaat op bezoek en ontmoet een Nederlands artsenechtpaar, dat bevriend was met de vader van zijn oude vriendin Marise, een patholoog-anatoom. Door hen komt hij aan de weet dat Marise een dodelijk verkeersongeluk kreeg en een zoon achterlaat met het syndroom van Down. Ferdinand gaat hem opzoeken: hij heet Fernando en werd geboren op 9 februari 1970: ‘Hij leek op mijn vader, maar had de handen van mij.’
Kamp
Er zijn drie hoofdlijnen in dit boek te onderscheiden: Holmans beschrijving van het nogal pretentieuze milieu van Amsterdamse middelbare schoolleerlingen in de jaren zestig; het leven van de ouders van de hoofdpersoon, getraumatiseerde mensen met een Indisch verleden; en het turbulente seksleven van hoofdpersoon Ferdinand. Er wordt wat afgeneukt, gebeft, gevingerd, gemasturbeerd en afgerukt. Het lijkt hem allemaal te overkomen. Ze vormen naar mijn smaak de minst boeiende passages uit het boek.
Holman kan erg goed schrijven en is een meester in oneliners. Boven alles heeft hij kans gezien de drie genoemde verhaallijnen aaneen te smeden tot een mooie, ontroerende en complexe roman, waaruit opnieuw blijkt dat hij een grootmeester is in het verwoorden van Indisch leed: ‘We waren een sekte met ons drieën. Ons huis was een rustgevend kamp. Je zat er opgesloten, uiteraard, maar je kon toch naar buiten.’
Adriaan Vermeulen
Theodor Holman – De trip van Ferdinand Hania, 264 pagina’s, uitgeverij Ezo Wolf, ISBN 978 90 8363 500 2, € 23,95, februari 2026
Over de auteur
Theodor Holman (Amsterdam, 9 januari 1953) is schrijver, columnist, scenarioschrijver en presentator. Hij werkte aan het begin van zijn carrière langere tijd als journalist bij Het Parool en was daar tot voor kort als columnist werkzaam.
Holman werd geboren als jongste zoon van een jurist in een Indisch milieu. Zijn vader was assistent-resident. Theodor ging naar de pedagogische academie en volgde colleges Nederlands en geschiedenis aan de UvA. Korte tijd was hij leraar.
Hij schreef in het verleden voor Propria Cures, de Volkskrant, Nieuwe Revu en De Groene Amsterdammer. Tot 20 juni 2025 was hij als columnist bij Het Parool werkzaam, hij moest daar tegen zijn zin mee stoppen. Naar verluidt speelde zijn pro-Israël-opvatting daarbij een rol.
Enkele publicaties:
- Familiefeest (1992), over zijn Indische familiegrondslag en de impact van de Tweede Wereldoorlog op de tweede generatie.
- Hoe ik mijn moeder vermoordde (1999), over de gecompliceerde band met zijn moeder.
- Interview (2003), een van zijn bekendste boeken, waarin een politiek journalist een soapster interviewt; dit verhaal werd door Theo van Gogh succesvol verfilmd en kreeg later zelfs een Amerikaanse remake.
- Theo is dood (2006), een persoonlijk verslag over het verlies van zijn beste vriend Theo van Gogh.
- De grootste truc aller tijden (2013), waarin hij thema's als ouder worden en familierelaties verweeft.
(Met dank aan Wikipedia.)
